Pascal Gunsch

Ethologie

Het gedrag is een verzamelnaam van alle acties en reacties van een dier op zijn omgeving. De functie ervan is het vergroten van de overlevingskans. Gedrag wordt veroorzaakt door prikkels die zowel inwendig als uitwendig kunnen zijn. De studie van het gedrag wordt ethologie genoemd.

Antropomorfismen

In de wetenschap is het altijd belangrijk dat je objectief bent. Anderen moeten dezelfde observaties als jou kunnen doen en het subjectief beschrijven is dus uit den boze. Dit gebeurt vaak wanneer mensen zich laten leiden door hun vooroordelen.

Wanneer bij het beschrijven van dierlijk gedrag subjectieve, emotioneel geladen woorden voorkomen, spreken we van antropomorfismen. Zo is het beter om te zeggen voorkeur hebben voor dan het subjectieve houden van.

Prikkels

De prikkels is iets wat de zintuigen waar kunnen nemen. Een inwendige prikkel is een omstandigheid in het lichaam, bijvoorbeeld de vetopslag. Een uitwendige prikkel is een omstandigheid buiten het lichaam, bijvoorbeeld de omgevingstemperatuur. De in- en uitwendige prikkels die voor een bepaald soort gedrag zorgen, noemt men ook wel de motiverende factoren.

De motivatie is de bereidheid om een bepaald gedrag te vertonen. Vaak zijn verschillende prikkels nodig om gedrag te vertonen. Als er genoeg prikkels zijn en ze de drempelwaarde hebben bereikt, is de motivatie groot genoeg en vertoont een dier een bepaald soort gedrag.

De hoeveelheid motiverende factoren die nodig zijn om de drempelwaarde te bereiken, verschillen vaak. Zo zijn er meer en sterkere prikkels nodig als er weinig motivatie is. Soms is een prikkel al genoeg om een bepaald gedrag te vertonen. Deze prikkel is de sleutelprikkel.

Een supernormale prikkel is een sterk overdreven sleutelprikkel. Zo’n prikkel lokt ook een heftigere reactie uit. Een voorbeeld is het gedrag van de zilvermeeuw. Bij het zien van de rode stip op de snavel van de ouders komt de pikreflex op gang. Wanneer er een rood blaadje in plaats van een rood vlekje getoond wordt, zal de jonge zilvermeeuw heftiger reageren.

Gedragssystemen

Het gedrag bestaat uit verschillende handelingen, die gedragseenheden of gedragselementen worden genoemd. Voorbeelden van gedragseenheden zijn jagen, bijten en dreigen.

Een gedragsketen is een vaste opeenvolging van verschillende gedragseenheden. Het gedrag bestaat (gelukkig) niet alleen maar uit gedragketens, maar verschillende gedragseenheden komen wel vaak in combinatie met andere voor. Dit komt omdat ze onderdeel zijn van hetzelfde gedragssysteem. Een gedragssysteem is dus een groep van gedragseenheden die bij elkaar horen, zoals vechten.

Conflictgedrag

Conflictgedrag treedt op wanneer een dier zich niet gedraagt zoals die zou moeten. Het gevolg is dat verschillende gedragssystemen met elkaar in conflict komen. Er zijn drie soorten conflictgedrag.

Ambivalent gedrag treedt op als er twijfel is over welk gedrag het dier moet vertonen. Als gevolg hiervan gedraagt hij zich op twee manieren en vertoont hij gedrag van twee gedragssystemen. Een voorbeeld van ambivalent gedrag bij mensen is een spreekbeurt bij Frans. Je wilt het liefst door de grond zakken zodat niemand je amateuristische Franse uitspraak hoort, maar je wilt ook een goed cijfer en een mooie, interessante presentatie neerzetten. Het resultaat is dat je twee soorten gedrag vermengt, wanneer je het spreken afwisselt met een periode van spontane stotter.

Overspronggedrag is het vertonen van een bepaalde reactie uit een ander gedragssysteem, zonder enige aanleiding. Het dier springt als het ware voor heel even over van het ene gedragssysteem naar het andere. Zo krabbelt iemand die het even niet meer weet aan zijn hoofd, terwijl dit gedrag (dat misschien het best in het gedragssysteem ‘hygiëne past) totaal onnodig is.

Omgericht gedrag is wel het gepaste gedrag, maar naar de verkeerde persoon of het verkeerde voorwerp gericht; het is dus een ander woord voor afreageren. Een voorbeeld is dan ook het hard dichtsmijten van de deuren als je het niet eens bent met je ouders.

Communicatie

Communicatie is het uitwisselen van informatie tussen soortgenoten, met als doel informatie over zichzelf, anderen en de omgeving uit te wisselen. Communicatie bestaat altijd uit een zender en een ontvanger. Een actie en een reactie. Een combinatie van verschillende signalen vormt de boodschap. Een signaal is een gedragseenheid die als sleutelprikkel voor de ontvanger fungeert. Een voorbeeld van communicatie is een hond die met zijn staart kwispelt (het signaal) als die blij is (de boodschap).

Communicatie is verschillend tussen verschillende diersoorten. Een soort kan dus alleen maar met zijn soortgenoten communiceren. Zo rent een hond weg als hij met een andere hond wil spelen. Een kat denkt echter dat de hond naar hem jaagt en rent weg uit angst. Dit is voor de hond een teken dat de ander ook wil spelen en hij zal doorgaan. Ook tussen mensen en andere diersoorten zijn soortgelijke misverstanden in communicatie mogelijk.

Een ritueel is een vaste gedragsketen die de dieren voorbereidt op een bepaald soort gedrag, bijvoorbeeld vechten of paren. Een ritueel is dus eigenlijk een soort dieren-etiquette die aangeeft hoe ze zich moeten gedragen. Een ritueel kan verduidelijkt worden door bepaalde handelingen te overdrijven of versterken, met mooie kleuren of een enorme staart met honderd ogen erop.

De balts is een speciaal soort ritueel, waarbij de dieren aangeven dat van het andere geslacht zijn en geschikt zijn als partner.

Communicatie via rituelen is star en leidt vaak tot een bepaald doel. Bij complexere communicatie zijn signalen nodig die buiten het vaste ritueel voorkomen. Ook bij mensen gebeurt communicatie via deze regels. Zo gebruiken ze niet alleen de gesproken woorden, maar ook non-verbale communicatie is van belang. Dit is onder andere de lichaamshouding, gezichtsuitdrukking, intonatie, en de mate waarin je iemands persoonlijke ruimte betreedt.

Leren

Aangeboren gedrag is voor de geboorte vastgelegd in de genen, of ontwikkelt zich tijdens de embryonale ontwikkeling. Een voorbeeld is de pikreflex van de jonge zilvermeeuw.

Vaak is gedrag een combinatie van aangeboren en aangeleerde componenten. Zo is het gedrag in veel gevallen in ruwe vorm aangeboren, maar wordt het later gedurende het leven door ervaringen verfijnd. Een voorbeeld is het baltsgedrag van futen.

Aangeleerd gedrag is veel praktischer. Doordat dieren dingen kunnen leren kunnen ze zich aanpassen aan een veranderende omgeving. Dit maakt ze flexibel en verhoogt daarmee de overlevingskans. Er zijn verschillende vormen van leren.

Inprenten is een snelle manier van leren waarbij een prikkel na één waarneming al een bepaald gedrag teweegbrengt. Dit gedrag is alleen maar aan te leren in de gevoelige periode van een dier, dit is vaak als ze jong zijn. Een bekend voorbeeld is dat ganzen die net uit hun ei komen, het eerste voorwerp wat ze zien bewegen zullen volgen.

Imitatie is het leren van dingen door bij anderen af te kijken hoe zij iets doen en dat na te doen. Een voorbeeld zijn meesjes in Engeland die de doppen van melkflessen kapot prikken om te drinken.

Gewenning is het leren van dingen door een bepaalde handeling vaak uit te voeren, waardoor deze normaal wordt. Dit kan gebaseerd zijn op angst. Een bekend voorbeeld is de vogelverschrikker.

Trial-and-error is het leren door verschillende opties te proberen, en te onthouden welke optie het gewenste resultaat opleverde. Een voorbeeld is een hongerige kat die er alles aan doet om bij het voedsel op de bovenste plank te komen, totdat hij per ongeluk ontdekt hoe het moet.

Motorisch leren is een bijzondere vorm van leren. Lopen of stuiteren met een bal gaat bijvoorbeeld, na veel oefenen, pas als alle spieren, botten en zenuwen voldoende ontwikkeld zijn, maar het uitvoeren van beide tegelijk kan pas na heel veel extra oefening.

Conditioneren is het leren van iets door bepaalde omstandigheden of condities. Er zijn twee verschillende soorten, klassieke conditionering en operante conditionering.

Klassieke conditionering is gebaseerd op een toevallige prikkel. De toevallige prikkel wordt, omdat deze vaak voorkomt voor een specifieke prikkel, door het dier gekoppeld aan die prikkel. Die prikkel brengt weer een bepaald soort gedrag teweeg. Een voorbeeld is het geven van eten in een aquarium. Als dit altijd in dezelfde hoek gebeurt, gaan de vissen al bij het openen van de deksel naar die hoek.

Operante conditionering is gebaseerd op beloningen en straffen. Dieren leren door trial-and-error of bepaald gedrag beloond wordt, en of bepaald gedrag gestraft wordt. Een bekend voorbeeld is het maken van je Latijn huiswerk. Als je het niet maakt, kun je de als-blikken-konden-dodenblik verwachten, en als je het wel maakt, word je beloond omdat je bij je vriendjes en vriendinnetjes op kunt scheppen dat je, op een enkeling na, de enige bent die het heeft gemaakt.

Inzicht is de moeilijkste vorm van leren. Bij deze vorm van leren kunnen stappen overgeslagen worden om het resultaat te bereiken, omdat het dier zich al een voorstelling maakt van de tussenliggende stappen. Een infameus voorbeeld zijn de biologietoetsen, waarbij vaak alle stappen  niet in de les of in het boek aan bod zijn gekomen, toch nodig zijn om tot het antwoord te komen.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s