Pascal Gunsch

Gedichten

Poëzie

De poëzie of dichtkunst is een van de oudste vormen van literatuur. Het komt voort uit een luistertraditie en gedichten zijn dus zo geschreven dat ze makkelijk te onthouden zijn door de maker en te horen door de toehoorders. Ook al is de dichtkunst al zo oud, gebruiken we nog steeds gedichten bij belangrijke gebeurtenissen, zoals geboorte of overlijden. Over poëzie wordt dikwijls gezegd: ‘Dichters vinden woorden voor dingen, waar we zelf geen woorden voor kunnen vinden.’

Gedichten

Een van de meest prominente kenmerken van gedichten is wel de structuur. De tekst loopt niet door, maar wordt daarentegen vaak afgebroken om de verschillende versregels aan te geven. Dit zijn alle woorden die op één regel staan. De versregels staan vaak in kleine groepjes, deze groepjes heten strofen.

Een strofe die uit twee versregels bestaat, noemen we een distichon. Een strofe die uit drie regels bestaat een terzet, en een die uit vier regels bestaat een kwatrijn. Twee terzetten vormen samen een sextet, en twee kwatrijnen een octaaf.

Sonnetten

Er zijn verschillende vormen van gedichten, en een van de bekendste is het sonnet. Het sonnet zoals we het nu kennen is vormgegeven door de Italiaan Petrarca in de veertiende eeuw. Hij was fel verliefd op een zekere Laura, voor wie hij wel 336 sonnetten schreef. Het woord sonnet komt van het Italiaanse sonare, dat klinken betekent. Een sonnet wordt daarom ook wel een klinkdicht genoemd. Het klassieke sonnet van Petrarca bestaat uit veertien versregels, die gegroepeerd zijn in twee kwatrijnen (dus een octaaf) gevolgd door twee terzetten (dus een sextet). Het rijmschema is altijd ABBA ABBA CDC DCD, en het metrum is een jambische pentameter. Een vierde kenmerk van een sonnet is dat er altijd een zekere verandering in de gedachte of sfeer plaats vindt; dit wordt ook wel de chute, volta of simpelweg wending genoemd. De chute is vaak tussen het octaaf en het sextet.

Het sonnet werd snel populair, ook buiten Italië, en er ontstonden met name in Engeland en Frankrijk andere vormen en rijmschema’s voor sonnetten. Een voorbeeld is een sonnet met drie kwatrijnen gevolgd door een distichon, met de chute tussen het laatste kwatrijn en de distichon. Zo’n sonnet wordt ook wel een Shakespearesonnet genoemd.

OPMERKING VAN SCHREUDERS: Gedichten worden over het algemeen als zeer romantisch ervaren, vooral als het een sonnet en tegelijkertijd een acrostichon is. Een acrostichon is een gedicht waarbij er een woord ontstaat als je telkens de eerste letter van elke versregel leest.

Rijm

Als iets rijmt, komen er klanken overeen. Vanzelfsprekend staan deze klanken niet te ver van elkaar, ander zou alles uiteindelijk rijmen!

Hoewel een gedicht zoals een sonnet altijd rijmt, is rijm geen kenmerkend onderscheid voor gedichten. Veel moderne dichters dichten in een vrijere vorm. Bij een gedicht dat niet rijmt spreken we ook wel van blanke verzen.

Je kunt rijm op twee manieren indelen: ten eerste naar de plaats waar de woorden rijmen, en ten tweede naar de klanken die met elkaar overeenkomen.

Indeling naar plaats
Als de woorden aan het eind van een versregel rijmen, spreekt men van eindrijm. Deze klanken die rijmen staan vaak in een bepaalde volgorde: het rijmschema. In zo’n rijmschema staat een bepaalde letter voor een bepaalde klank.

Vaak volgen de verschillende rijmklanken een bepaald patroon. Veel voorkomende patronen zijn slagrijm (AAAA), gekruist rijm (ABAB), omarmend rijm (ABBA), gebroken rijm (ABAC), verspringend rijm (ABC ABC) en gepaard rijm (AABB). De laatste vorm is komt niet alleen voor bij Sinterklaasgedichten, maar vaak ook bij lange verhalen zoals de middeleeuwse ridderromans.

Ook bestaat er naast eindrijm beginrijm, wanneer de woorden aan het begin van een versregel rijmen, middenrijm en binnenrijm, wanneer twee woorden binnen een versregel rijmen (Ik ben geboren uit zonnegloren).

Indeling naar klank
Als zowel de klinkers als de medeklinkers rijmen, spreken we van volrijm. Dit is onder te verdelen op basis van het aantal lettergrepen dat rijmt: bij mannelijk rijm rijmt alleen de laatste lettergreep (verstand, galant), bij vrouwelijk rijm de laatste twee lettergrepen (haven, graven) en bij onzijdig of glijdend rijm de laatste drie lettergrepen (kinderen, hinderen).

Bij halfrijm rijmen óf de klinkers óf de medeklinkers. Als alleen de klinkers rijmen wordt dit klinkerrijm of assonantie genoemd (lamp, brand), en als alleen de medeklinkers rijmen heet dit medeklinkerrijm (licht, lucht).

Het kan ook voorkomen dat de beginmedeklinkers van twee of meer lettergrepen aan elkaar gelijk zijn, dit heet alliteratie (Liesje leerde Lotje lopen langs de Lange Lindelaan).

Twee minder vaak voorkomende rijmverschijnselen zijn eyerhyme en earrhyme. Bij eyerhyme (eye is het Engelse woord voor oog, en rhyme voor rijm) rijmen de woorden alleen op het oog, maar bij het lezen niet meer (spruitje, etuitje). Bij earrhyme is het juist zo dat het op het oog niet te zien is dat woorden rijmen, terwijl ze dat als ze gelezen worden wel doen (7, zweven). Deze twee technieken leveren vaak een komisch effect op.

Metrum

Vooral traditionele gedichten en liedteksten zijn in een bepaald metrum geschreven. Het metrum is de regelmatige afwisseling van beklemtoonde (lange) en onbeklemtoonde (korte) lettergrepen. Korte lettergrepen worden aangegeven met een thesis (∪), en lange lettergrepen met een arsis (―).

Een vaste combinatie van korte en lange lettergrepen wordt een versvoet genoemd. Er zijn verschillende soorten. De meest gebruikte versvoeten zijn de jambe (∪ ―), trocheus (― ∪), spondeus (― ―), anapest (∪ ∪ ―), dactylus (― ∪ ∪) en amfibrachys (∪ ― ∪). Als een versregel uit vijf versvoeten bestaat spreken we van een pentameter, en een versregel die uit zes versvoeten bestaat noemen we een hexameter.

Zo wordt een sonnet vaak geschreven in jambische pentameter. Als je een versregel zou gaan scanderen, dat is, het indelen in korte en lange klanken om zo de versvoet te bepalen, zul je zien dat er tien lettergrepen zijn, telkens eerst kort en dan lang.

Omdat het intens moeilijk is versregels zo te schrijven dat het metrum precies klopt, kan de dichter soms smokkelen. Als een klank weggelaten wordt (hulp’loos in plaats van hulpeloos) nemen we dat elisie, en als een klank juist toegevoegd wordt (roohood in plaats van rood) heet dat epenthesis. Soms wordt het metrum expres verbroken, om een soort opschrikking te veroorzaken. Dit heet antimetrie. Ook door de verhouding tussen korte en lange klanken te verwisselen kan een effect ontstaan; zo geven veel korte klanken snelheid, lichtvoetigheid en spanning aan, terwijl veel lange klanken traagheid en soberheid aangeven.

Als aan het einde van een versregel geen natuurlijke pauze volgt, maar de zin doorloopt naar de volgende regel, spreken we van een enjambement. Dit kan verschillende effecten hebben. Zo is het een manier om het metrum te doorbreken, of een middel om rijmverdoezeling op te laten treden. Vaak geeft een enjambement het laatste woord van de versregel een extra nadruk, omdat het heel even als het ware blijft hangen.

Ritme

Een ander middel dat een extra dimensie aan gedichten toe kan voegen is het ritme. Het ritme is iets anders dan het metrum, het is veel vrijer. Het wordt daarom ook wel omschreven als ‘de natuurlijke beweging van de zin expressief gemaakt door de wisselende intensiteit van het dynamische (sterk/zwak), het temporeel (vlug/langzaam) en/of melodisch (hoog/laag) accent.’

Stijltoon

De stijltoon is de toon die de schrijver in zijn gedicht hanteert. We spreken van ironie als de schrijver het tegenovergestelde zegt van wat hij bedoelt, en gebruikt maakt van retorische vragen, herhalingen, hyperbolen, eufemismen, of andere woorden die uit de toon vallen, bijvoorbeeld door meerdere betekenissen of doordat ze ouderwets zijn. Bij sarcasme speelt de dichter op de man, het is een bijtende vorm van ironie. En als de toon cynisch is, heeft de dichter een bitter kritische houding, zonder geloof in idealen.

Stijlfiguren

In gedichten worden vaak stijlfiguren gebruikt. Dit zijn ‘afwijkingen’ van het normale taalgebruik, om een speciaal effect teweeg te brengen. De meest voorkomende stijlfiguren worden hieronder uitgelegd.

Antithese (tegenstelling)
Twee tegenovergestelde begrippen naast elkaar geplaatst, om een bepaalde spanning op te wekken.
Mijn geweldige, verschrikkelijke baan

Chiasme (kruisstelling)
Twee bij elkaar horende zinnen of zinsdelen in tegengestelde woordvolgorde geplaatst.
Hij is laf, dapper is zijn broer

Climax (trap)
De volgende woorden zijn steeds sterker dan het voorafgaande woord. Bij een anticlimax gebeurt precies het tegenovergestelde.
Uren, dagen, maanden, jaren, / vliegen als een schaduw heen

Contaminatie
Een versmelting van twee woorden of uitdrukkingen. Dit kan per ongeluk gebeuren (dat kost duur) of bewust gedaan worden.
Krommunicatie (van krom en communicatie)

Enumeratie (opsomming)
Een aantal namen, feiten of argumenten wordt achter elkaar gezet. Soms bestaat de opsomming uit andere woorden voor hetzelfde begrip, om extra nadruk hierop te leggen.
Het heeft een aantal voordelen en pluspunten

Eufemisme
Een minder direct woord voor een hard of onbeleefd woord.
Transpireren in plaats van zweten

Hyperbool (overdrijving)
Iets op een overdreven manier zeggen om extra nadruk te geven.
Ik sta hier nu al een eeuw te wachten, terwijl ze gisteren binnen een seconde terug waren

Inversie
Het veranderen van de woordvolgorde. Door een bepaalde woordgroep voorop te plaatsten krijgt deze extra nadruk.
In de verte zag ik hem aankomen

Litotes
Iets wordt sterk bevestigd door het tegendeel te ontkennen.
Het was zeker niet onaantrekkelijk

Paradox
Een tegenstelling die bij nader inzien niet blijkt te bestaan, wat een verassend effect geeft.
Vele eersten zullen de laatsten zijn

Parallelisme
Een aantal zinnen begint op dezelfde wijze en verloopt ook identiek.
Laten de vogels protesteren / tegen de branding tegen het schuim, laten de vogels protesteren tegen …

Pleonasme
Een eigenschap van het hoofdwoord wordt nog apart uitgedrukt.
Een witte schimmel, rood bloed en groen gras

Prolepsis (vooropplaatsing)
Een zinsdeel dat nadruk moet krijgen wordt geïsoleerd voorop geplaatst, zo wordt een spanning opgewekt.
Die lammeling, ik wil hem niet meer zien

Repetitio (herhaling)
Een woord of zinswending wordt ongewijzigd herhaald. Ook hier krijgt het woord of de zinswending een bijzondere nadruk.
Mijn hart, mijn hart is droevig / in de lichte lentezon.

Retorische vraag
Een vraag die gebruikt wordt om nadrukkelijk een bewering mede te delen. Het is dus niet de bedoeling antwoord te krijgen. Er kan verontwaardiging, boosheid, ongeloof of verbazing uitgedrukt worden.
Wie is daar nu bang voor?

Tautologie
Een herhaling van iets wat reeds gezegd is wordt door een ander woord met nagenoeg dezelfde betekenis herhaald.
Vlot en vaardig en enkel en afleen

Woordspeling
Een woord wordt tegelijkertijd in meerdere betekenissen in een zin gebruikt.
Zijn drukwerk maakt de stilte er niet minder drukkend.

Beeldspraak

Wanneer er een beeld met een ander object gerelateerd wordt, spreken we van beeldspraak.

Bij een vergelijking worden twee zaken vergeleken met het woord ‘als’ (haar als stro). Als de vergelijking lang en uitgewerkt is spreken we van een Homerische vergelijking. Bij een asyndetische vergelijking komt er geen verbindingswoord voor (dit papier, mijn huid) en bij een metafoor wordt het object dat vergeleken woord überhaupt niet genoemd (een ezel). Als een niet-levend iets menselijke kenmerken krijgt (de zon lacht), heet dat een personificatie. Soms worden verschillende zintuigen verwisselt (bitter koud), dit heet synesthesie.

Bij een metonymia is er sprake van een relatie tussen het beeld en het object, bijvoorbeeld de maker in plaats van een voorwerp (een Rembrandt) of en geheel in plaats van een deel (De Tweede Kamer stemde voor het nieuwe wetsvoorstel).

Het analysemodel

Om gedichten te analyseren kun je onder andere naar het volgende kijken:

1 Opbouw – Zijn er kwatrijnen, terzetten, of een octaaf? Is het een sonnet? Waar is de chute?
2 Versregels – Hoeveel lettergrepen zijn er? Vindt er elisie plaats, of epenthesis? En hoe zit het met enjambement?
3 Versvoeten – Welke versvoeten worden gebruikt? Zijn er antimetrieën? Wat is het metrisch thema?
4 Klanken – Wat is het rijmschema? Is er eindrijm, beginrijm, middenrijm? Is er alliteratie, of klinker/medeklinkerrijm? Wat is er nog meer opvallend aan het rijmschema?
5 Stijlfiguren – Welke stijlfiguren worden er gebruikt en waarom?
6 Beeldspraak – Welke soort beeldspraak wordt gebruikt? Waar is de vergelijking op gebaseerd?
7 Overige opvalligheden – Zijn er opvallend veel witregels? Of andere tekstuele kenmerken?
8 Interpretatie – Hoe verklaar je de titel? Wat is de symboliek? Waarom gebruikt de dichter bepaalde verwijzingen? Wat is de onderliggende gedachte, of de reden waarom de dichter ging schrijven?

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s